Artikelen



INFORMATIEKUNDE, WAT MOETEN WE ERMEE?

 Het vak informatiekunde stond de laatste tijd nogal in de belangstelling. De onderwijsinspectie heeft onderzoek gedaan naar de effectiviteit van het vak, en kwam tot de conclusie dat het vak in zijn huidige vorm niet voldoet. Het is ook niet eenvoudig: het niveau van de leerlingen die het vak moeten leren loopt over het algemeen nogal uiteen. Sommige leerlingen die van de basisschool komen hebben nog nooit een computer gebruikt (behalve misschien een spelcomputer); anderen daarentegen bespelen de computer zoals een grote pianist zijn klavier! Voeg daar nog bij dat voor het geven van het vak informatiekunde geen speciale bevoegdheid vereist is (en daarmee dus ook geen speciale opleiding voor docenten), en het wordt duidelijk waar de knelpunten van het vak liggen.

Staatssecretaris Adelmund overwoog het vak informatiekunde maar helemaal te schrappen, maar de Vereniging I&I kwam daartegen terecht in het geweer. Gezien de toenemende rol van computers en informatie binnen de maatschappij, groeit ook het belang van het vaardigheid om met computers en informatie om te kunnen gaan, en het lijkt dus erg tegenstrijdig om het vak zonder meer af te schaffen. Daarmee laat je bovendien de leerlingen die nog geen computerervaring hebben (doorgaans toch al de leerlingen die ook op andere vlakken nogal wat achterstand hebben) wel behoorlijk in de kou staan. En bovendien: zouden degenen die nu doorgaan voor wizkid eigenlijk wel over de juiste computervaardigheden beschikken?  

Ervaringen van een schoolmediathecaris

Ik ben zelf werkzaam in de mediatheek van een school voor Voortgezet Onderwijs, voor leerlingen van het VBO tot VWO. Wij hebben in deze mediatheek de beschikking over 30 computers, die allemaal zijn aangesloten op Internet.  Regelmatig krijgen wij vragen over het gebruik van de computers. Voornamelijk gaan die vragen over de “technische” kanten van het computergebruik: hoe een tekstverwerker, een spreadsheet e.d. gebruikt moeten worden. Ook de vragen die gesteld worden over het gebruik van internet, vallen voornamelijk onder de noemer “technische vragen”, bijvoorbeeld: “hoe kan ik een stuk tekst van internet overnemen in een tekstverwerker”, en “hoe kan ik plaatjes daar naartoe kopiëren”. Slechts heel weinigen stellen vragen over hoe ze op Internet kunnen zoeken. Blijkbaar denken de meeste leerlingen dat ze die vaardigheid wel beheersen. Maar dat blijkt in de praktijk bitter tegen te vallen. Alhoewel er zeker een groep leerlingen is met een redelijke tot goede computervaardigheid, valt mij telkens weer op dat er maar zeer weinig “informatievaardig” zijn. In het afgelopen schooljaar ben ik geen enkele leerling tegen gekomen die gestructureerd op zoek ging naar informatie op internet. De meeste leerlingen kennen maar één zoekmachine, of één portal. Vanuit dat punt denken zij het hele World Wide Web te kunnen doorzoeken. Als er gestart wordt vanuit een zoekmachine, kennen ze daarvan maar heel zelden de verschillende mogelijkheden, of zijn ze op de hoogte van het zoeken met behulp van Booleaanse operatoren. Geen leerling kon mij het afgelopen jaar vertellen welke informatie op het WWW sterk vertegenwoordigd is, en welke niet, en op welke manieren nagegaan kan worden of de gevonden informatie betrouwbaar is. Het feit tenslotte, dat bepaalde informatie met behulp van zoekmachines nooit gevonden kan worden – het onzichtbare web – was ook bij geen enkele leerling bekend. Al deze factoren bij elkaar genomen maken dat internet door veel leerlingen wordt beschouwd als een prima medium om te chatten of te e-mailen, maar het World Wide Web als informatiemedium wordt nauwelijks benut.

Overigens is deze kennis ook bij docenten maar weinig bekend. Ook zij ondervinden vaak problemen bij het zoeken naar informatie. Blijkbaar is het zoeken in deze virtuele bibliotheek toch heel wat lastiger dan men denkt!  

Informatiekunde

We kunnen dus constateren dat op dit gebied er binnen scholen weinig kennis is, terwijl er toch duidelijk veel behoefte is aan die kennis. Gezien de investeringen die de overheid doet in Kennisnet,  hecht ook de zij er veel waarde aan dat de leerlingen vlot kunnen zoeken naar informatie. Ik denk dan ook dat daar een belangrijke taak ligt voor het vak informatiekunde. Uiteraard moeten de leerlingen over de technische vaardigheden beschikken om met computers om te gaan, maar uiteindelijk is de computer slechts een instrument om andere doelen te bereiken. Tekstverwerker, spreadsheet en database dienen ertoe informatie te analyseren en te bewerken, maar voordat dat gedaan kan worden zullen we eerst informatie moeten zoeken. Aan dit aspect van informatiekunde is op de meeste scholen tot op heden weinig aandacht besteed. Dat lijkt vreemd, omdat informatie vinden toch een eerste vereiste is alvorens je die informatie kunt bewerken. Maar het is minder vreemd dan het lijkt. De meeste informaticadocenten beschikken zelf simpelweg vaak niet over de kennis om gestructureerd te kunnen zoeken naar informatie. Zij zijn wel prima op de hoogte van de techniek van internet, maar weinig van de inhoudelijke kanten daarvan.

Wie heeft binnen de school dan wel de kennis om het WWW te doorzoeken? Wie beschikt over de vereiste informatievaardigheden? Veel scholen realiseren zich niet dat de mediathecaris juist hiervoor is opgeleid. De (HBO-) opleiding van de mediathecaris is erop gericht om hem te leren zoeken naar informatie. Vroeger bleef dat beperkt tot gedrukte media, maar die tijd zijn wij natuurlijk al lang gepasseerd. De huidige (school)mediathecaris is ook goed op de hoogte van de mogelijkheden van het world wide web. Hij is in staat de verschillende informatiebronnen op waarde in te schatten, en kent de verschillende zoekingangen die toegang geven tot deze bronnen. Hij kan structuur aanbrengen in het zoeken naar informatie op het WWW, en deze kennis op anderen over te dragen. Anders dan de vakdocent, blijft zijn kennis niet beperkt tot één vakgebied. De mediathecaris overziet de totale zoekvraag en is in staat informatievaardigheden vakoverstijgend te behandelen.  

Wat kan de mediathecaris voor het onderwijs doen?

De mediathecaris heeft uit hoofde van zijn functie een goed inzicht in wat de nieuwe informatiebronnen kunnen betekenen voor het onderwijs. Hij kan daarin anderen, docenten zowel als schoolleiding, ondersteunen. Enerzijds door het verzorgen van cursussen op dat gebied, anderzijds door regelmatig het web af te speuren op zoek naar bruikbaar materiaal voor de school. Verder kan hij het web voor leerlingen toegankelijker maken, hetzij door het verzorgen van een homepage, door het maken van een via het internet toegankelijke lijst van favorieten of door toegang tot internet te bieden via de catalogus. Hij verzorgt de lessen op het gebied van informatievaardigheden in een doorlopend curriculum voor alle leerlingen in de verschillende klassen. Voor de brugklassen blijft dat misschien beperkt tot het zoeken in de – geautomatiseerde – catalogus; in de hogere klassen breidt zich dat uit tot het zoeken in databases of op het web. Ook buiten de lessen maakt hij het web toegankelijk: voor de lagere klassen zal hij in de catalogus rechtstreekse verwijzingen maken naar bepaalde pagina’s op het web, wat verder gevorderde leerlingen zal hij naar complete websites verwijzen en eindexamenleerlingen zal hij begeleiden in hun zoektochten door de verschillende soorten zoekmachines in de catalogus op te nemen.  

Wat betekent dat voor het vak Informatiekunde en voor de scholen?

Op een aantal scholen wordt er door mediathecarissen nu al les gegeven in het zoeken naar informatie in de bibliotheek. Gezien het bovenstaande, zou het aanbeveling verdienen deze lijn door te trekken en de mediathecaris ook een deel van het vak informatiekunde voor zijn rekening te laten nemen, namelijk dat deel waarbij het draait om het zoeken op internet. In nauw overleg met de docent informatica, die de behandeling van de “technische” kanten van internet in zijn lessen behandelt, zal de mediathecaris de “inhoudelijke” kant van het vak informatiekunde voor zijn rekening moeten nemen. De leerling zal geleerd moeten worden te zoeken naar informatie: vanaf de eerste zoektocht in de brugklas, meestal in een woordenboek of encyclopedie, tot aan de meest geavanceerde zoekmethoden via internet of andere elektronische informatiebronnen.

Om deze functie naar behoren te kunnen vervullen, zou de mediathecaris wel in staat gesteld moeten worden een onderwijsbevoegdheid te behalen. De vakkennis op het gebied van informatie is immers weliswaar aanwezig, maar in de opleiding van de mediathecaris is geen aandacht besteed aan didactische vaardigheden. Op de meeste scholen zou er voor het vervullen van al deze taken meer uren ter beschikking moeten komen voor de mediathecaris, en in enkele gevallen zal zelfs een bevoegd mediathecaris benoemd moeten worden. Het is duidelijk dat voor een dergelijke functie niet volstaan kan worden met – voor het overige overigens zeer nuttige – vrijwilligers in de mediatheek.  

Conclusie

Gezien de toenemende rol van informatie binnen de maatschappij, groeit ook het belang van informatievaardigheden. Het onderwijs is zich daarvan bewust, en probeert zich bij deze ontwikkeling aan te sluiten door zich te herbezinnen op de rol die informatie binnen de school speelt. Zo wordt het vak informatiekunde doorgelicht en bekeken wordt welke rol het web binnen het totale onderwijs kan spelen. Alhoewel in het verleden aan de technische aspecten van het omgaan met internet op de meeste scholen wel aandacht is besteed, is de inhoudelijke kant daarvan – het zoeken naar informatie – vrijwel nergens aan bod gekomen. De kennis op dit gebied lijkt over het algemeen zowel bij leerlingen als bij docenten echter zeer beperkt.

Gezien het belang van deze vaardigheid en het vakoverstijgende karakter van Informatiekunde verdient het aanbeveling voor dit vak iemand aan te trekken die goed op de hoogte is van informatie en bovendien het hele scala van vakken kan overzien: de mediathecaris! Veel scholen realiseren zich niet dat ze, door de schoolmediathecaris niet actief in te zetten in het onderwijs, ze een heleboel know-how en vaak jarenlange ervaring onbenut laten.

 COS, 12 (1999), 9 (november)

naar boven