Artikelen
De ICT-monitor
In dit artikel wordt kort uiteengezet wat de ICT-monitor is, en hoe die tot stand komt. Ook wordt ingegaan op de resultaten ICT-monitor van het basisonderwijs en die van het voortgezet onderwijs over de periode 1998/1999. Tot slot nog een paar suggesties voor het gebruik van de ICT-monitor voor het bepalen van het beleid van de scholen afzonderlijk.
Ontstaansgeschiedenis
In 1997 publiceerde het Ministerie van Onderwijs zijn beroemde nota “investeren in voorsprong”. De bedoeling van deze nota was het gebruik te stimuleren van Informatie en Communicatie Technologie in het onderwijs, zowel in het basisonderwijs, als in het voortgezet onderwijs, het beroeps- en volwassenenonderwijs en de lerarenopleidingen. ICT zou in het onderwijs zowel het object van onderwijs moeten zijn (er zouden dus lessen in ICT gegeven moeten worden), maar het zou ook de effectiviteit en de kwaliteit van het onderwijs moeten verbeteren.
In de nota “Onderwijs on Line”, gepubliceerd in 1999, werden de beleidsdoelen en de bestuurlijke aanpak van de overheid op ICT-gebied voor de periode 1999-2002 vastgelegd. Om vast te kunnen stellen of deze doelstellingen wel gehaald worden, was er behoefte aan tussentijdse rapportage. Deze rapportages zouden geëvalueerd moeten worden, en de oorzaken van het wel of niet behalen van de doelstellingen zouden vastgesteld moeten worden. Op basis hiervan zouden dan de beleidsdoelen aangepast kunnen worden. Deze vraag naar tussentijdse rapportage resulteerde in de ICT-monitor: een jaarlijks meting van de ontwikkelingen op ICT-gebied in de bovengenoemde sectoren van onderwijs, uitgevoerd door het Onderzoek Centrum Toegepaste Onderwijskunde (OCTO) van de Universiteit Twente.
Wat wordt er gemeten?
In de ICT-monitor wordt gekeken naar factoren niet door de school te beïnvloeden zijn (bijvoorbeeld de financiële middelen die de overheid aan scholen beschikbaar stelt) en factoren die door de school wèl te beïnvloeden zijn (zoals de aanwezige infrastructuur en de ideeën van de leerkrachten over ICT). Daarnaast wordt gekeken naar zaken die van belang zijn voor het daadwerkelijk in de praktijk realiseren van de ICT-toepassingen, zoals schoolbeleid en deskundigheidsbevordering, en naar factoren die betrekking hebben op de aard en de omvang van het computergebruik, bijvoorbeeld de vraag welke meerwaarde het gebruik van computers in de les biedt, en de vraag hoe vaak computers in de lessen worden gebruikt.
Het verzamelen van gegevens
Om voldoende gegevens te verzamelen èn om een zo objectief mogelijk beeld te krijgen, is gebruik gemaakt van verschillende methoden om gegevens te verzamelen Allereerst zijn er verschillende vragenlijsten gestuurd: een lijst met beleidsvragen, een technische vragenlijst (met vragen over de infrastructuur op school), een leerkrachtvragenlijst (over het computergebruik binnen een geselecteerde klas) en een vragenlijst voor de leerlingen (over hun mening t.a.v. ICT). Daarnaast zijn er steekproefsgewijs in elk van de vier sectoren 4 scholen geselecteerd, waarvan een uitgebreide beschrijving is gemaakt over het invoeringsproces en het gebruik van ICT.
Om zeker te zijn dat de zo verzamelde gegevens representatief zijn voor de totaliteit van de vier sectoren, zijn diverse onderzoeken uitgevoerd. Deze geven allemaal aan dat de resultaten die op deze manier verkregen zijn een goed beeld geven van de totale sector.
Resultaten ict-monitor 1998/1999 voor het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs
1. Computergebruik
Uit de ICT-monitor 1998/1999 (verschenen in februari 2000) blijkt dat aan de vooravond van de 20e eeuw computergebruik in het basisonderwijs algemeen geaccepteerd is. Negen van de tien leraren maken in toenemende mate wekelijks gebruik van de computer voor onderwijsdoeleinden, met name bij de vakken rekenen, taal en aardrijkskunde. Wèl blijft het gebruik van e-mail en internet in deze sector nog beperkt. De computer wordt thuis door de leerlingen steeds vaker gebruikt voor leeractiviteiten zoals het verzamelen van informatie en het maken van een werkstuk: in vergelijking tot school wel drie tot vier keer zo vaak.
In het voortgezet onderwijs gebruikt gemiddeld 31% van de leraren ICT bij het lesgeven. Dit gebruik van ICT heeft een incidenteel karakter. Wel maakt driekwart van de leraren in het voortgezet onderwijs gebruik van de computer, maar dan gaat het vooral om lesvoorbereiding, cijferregistratie of het opstellen van proefwerken.
Bijna alle leerlingen in het voortgezet onderwijs gebruiken computers voor het opzoeken van informatie en het maken van werkstukken. Het gebruik thuis en op school bij het verzamelen van informatie en het maken van werkstukken verschilt maar een factor 2 met elkaar.
2. Infrastructuur
Het aantal computers per leerling in het basisonderwijs is in een tijdsbestek van twee jaar opgelopen van gemiddeld één computer voor iets meer dan 27 leerlingen naar één computer voor 17 leerlingen. Daardoor is ook de behoefte toegenomen aan een systeembeheerder die verantwoordelijk is voor het onderhoud en het beheer van deze computers. Wat daarnaast als een groot bezwaar wordt ervaren in het basisonderwijs is de kwaliteit van de beschikbare computers. Een groot aantal computers is verouderd. Ook de beschikbare randapparatuur is op de meeste scholen beperkt. Meestal is alleen een kleurenprinter aanwezig; maar een heel beperkt aantal scholen heeft de beschikking over een scanner of een digitale camera.
Ook in het voortgezet onderwijs is in de onderzochte periode veel geïnvesteerd in computerapparatuur. Niet alleen zijn verouderde computers vervangen, ook is het aantal computers toegenomen waardoor nu gemiddeld één computer per 18 leerlingen beschikbaar is. Bijna 90% van de leerlingen in het voortgezet onderwijs krijgt les op een locatie waar computers aanwezig zijn die toegang geven tot Internet. Een groot verschil met de basisscholen, waar dit voorbehouden is tot eenderde van de basisscholen.
3. Onderwijsconcept
Alhoewel het gebruik van ICT in principe aan ieder onderwijsconcept voordelen kan bieden, ondervinden naar eigen zeggen vooral scholen die zich richten op rijk-gedifferentieerd onderwijs,dus minder uniform-klassikaal gericht zijn, voordeel van het gebruik van computers in de klas. Omdat dit onderwijsconcept de laatste jaren binnen het basisonderwijs veel opgang doet, wordt in de ICT-monitor geconstateerd dat het gebruik van ICT in toenemende mate bijdraagt aan de realisatie van dit concept.
Ook in het voortgezet onderwijs wordt steeds meer aandacht besteed aan het zelfstandig leren van leerlingen. Naarmate scholen hier meer aandacht aan besteden, ervaren scholen meer profijt van de inzet van ICT.
4. Beleid en investeringen
Alle basisscholen hebben in de onderzochte periode financieel geïnvesteerd in ICT. Het meeste geld is gestoken in apparatuur en veel minder in programmatuur. Maar weinig basisscholen kunnen zich uitgaven permitteren voor personeel dat zich specifiek bezig houdt met ICT. Binnen het voortgezet is daar duidelijk meer geld aan uitgegeven: eenderde van de kosten op het gebied van ICT komen ten laste van personeelskosten voor systeembeheer en onderhoud van de apparatuur. Ongeveer 50% van hun budget gaat op aan apparatuur.
Steeds meer basisscholen zijn er in de periode 1998/1999 toe overgegaan een systematisch beleid te formuleren op het gebied van ICT. Ruim 50% is bezig met het opstellen van een beleidsplan. Al 20% heeft dit ook schriftelijk vastgelegd. Het voortgezet onderwijs is op dat gebied nog verder. Daar heeft al 50% van de scholen hun plan schriftelijk vastgelegd. Alhoewel in het basisonderwijs zowel als in het voortgezet onderwijs steeds vaker de beoogde doelstellingen worden gehaald, krijgen scholen ook steeds meer ambities op het gebied van ICT, waardoor er nog altijd een groot verschil bestaat tussen hetgeen de scholen willen en wat er bereikt is.
5. Houding
In het begin van de jaren negentig werden leerkrachten steeds positiever over de inzet van ICT, maar in het basisonderwijs veranderde dat in 1996. Leraren in het basisonderwijs geven aan dat zij computergebruik minder vaak positief ervaren. Mogelijk wordt dat veroorzaakt doordat computergebruik inmiddels een gewoonte is geworden, waardoor veranderingen dus minder opgemerkt worden. Dit hangt op zijn beurt misschien weer samen met het feit dat ICT nog maar weinig ingezet wordt voor vernieuwing van het onderwijs, maar vooral voor vervanging van bestaande werkwijzen. In het voortgezet onderwijs ligt die situatie iets anders. Ook daar is sprake van een dalende trend in de positieve beleving van de inzet van ICT, maar dat verschil is veel kleiner. In statistische termen is het verschil in gegevens tussen 1998 en 1999 voor het voortgezet onderwijs niet significant.
De positieve effecten van de inzet van computers zit hem volgens ruim driekwart van de leraren van het basisonderwijs vooral in de toegenomen motivatie van de leerlingen. Een iets minder grote groep geeft aan dat door gebruik van computers de leerstof efficiënter geoefend kan worden. Een heel kleine groep, drie op de tien leraren, geeft aan dat door de computer de leerlingen betere resultaten halen.
Bij het voortgezet onderwijs liggen die percentages iets anders: 55% van deze docenten vindt dat het voordeel van ICT vooral te vinden is in de verbeterde motivatie en 48% ziet verbeteringen in het efficiënt oefenen van de leerstof. Maar twee op de 10 leraren in het voortgezet onderwijs geeft aan dat door het gebruik van ICT een verbetering van de leerresultaten behaald wordt.
Ook leerlingen geven aan dat de computer stimulerend werkt. Opvallend is daarbij dat zowel in het basisonderwijs als in het voortgezet onderwijs jongens meer dan meisjes aangeven het werken met computers leuk en belangrijk te vinden, en ook vaker het gevoel hebben hierin door hun ouders gestimuleerd te worden. Sekseverschillen op het gebied van computergebruik zijn in de afgelopen jaren in beide sectoren groter geworden.
6. Samenwerking, ondersteuning, kennis en vaardigheden
De samenwerking tussen scholen in het basisonderwijs onderling en tussen scholen in het voortgezet onderwijs op het gebied van ICT neemt toe. Ervaringen worden uitgewisseld, en ook op het gebied van deskundigheidsbevordering wordt veel samengewerkt. Binnen de scholen ervaren de leerkrachten bij het basisonderwijs voornamelijk ondersteuning van de ICT-coördinator, en bij het voortgezet onderwijs ook van collega’s, directie en systeembeheer. Vier van de 10 leraren van groep 7 geeft aan dat ondersteuning ook geboden wordt door leerlingen.
In het basisonderwijs beschikt het merendeel van de leraren over algemene computervaardigheden en is in staat de computer voor onderwijsdoeleinden in te zetten. Op de meeste scholen voor voortgezet onderwijs beperkt het kennis- en vaardigheidsniveau van het merendeel van de leraren zich tot bekendheid met een Windows-omgeving en het kunnen omgaan met een tekstverwerker. In de periode 1998/1999 is in het voortgezet onderwijs het aantal leraren met kennis over algemeen computergebruik fors toegenomen, maar er zijn nog maar weinig scholen waar meer dan de helft van de leraren in staat is om computers te gebruiken bij het lesgeven.
In het basisonderwijs zowel als in het voortgezet onderwijs zijn maar weinig leraren bekend met toepassingen van moderne technologie zoals multimedia, e-mail en internet. De kennis van leraren in het basisonderwijs is in de gemeten periode op geen enkel aspect van computergebruik betekenisvol veranderd. Het gebrek aan kennis en vaardigheden van leraren wordt in beide sectoren ervaren als één van de grootste belemmeringen voor de verdere invoering van ICT.
7. Toekomstperspectief
Zowel directie als leraren verwachten dat in de toekomst het basisonderwijs steeds minder uniform-klassikaal gericht zal zijn. Zij verwachten dat de computer een belangrijk hulpmiddel zal zijn om dit te realiseren. De verwachtingen over het gebruik van Internet en Kennisnet zijn hoog gespannen.
Het voortgezet onderwijs verwacht dat ICT in de komende jaren een belangrijke rol zal gaan spelen bij het vormgeven van basisvorming, vmbo en het studiehuis binnen de tweede fase. Anderzijds nemen de verwachtingen van leraren in het voortgezet onderwijs over de betekenis van computergebruik voor het onderwijs van de toekomst af.
Alhoewel het aantal computers op basisscholen flink toeneemt, verandert de inhoudelijke vernieuwing van het onderwijs maar mondjesmaat. Sinds 1994 groeit het aantal scholen dat slecht op de hoogte is van hetgeen ICT het onderwijs te bieden heeft tot inmiddels zo’n 35%. Door onbekendheid met de mogelijkheden van ICT blijven beschikbare toepassingen onbenut.
Binnen het voortgezet onderwijs hebben leraren veel behoefte aan vakspecifieke scholing en programmatuur
Wat is het nut van de ict-monitor voor de individuele scholen?
Wat moeten scholen nu met de gegevens van de ICT-monitor? Allereerst is de monitor natuurlijk een beleidsinstrument van de overheid, maar dat wil niet zeggen dat de verkregen informatie geen waarde heeft voor de scholen afzonderlijk.
Op basis van de conclusies die getrokken worden in de ICT-monitor kunnen scholen hun eigen ICT-beleid bepalen. Zo wordt o.a. geconcludeerd dat scholing van docenten, zowel in het basis- als in het voortgezet onderwijs, niet gericht moet zijn op algemene computervaardigheden, maar vooral op de didactische en organisatorische aspecten van computergebruik. Met dit soort conclusies kunnen de scholen afzonderlijk natuurlijk hun voordeel doen.
Daarnaast kunnen scholen hun eigen cijfers naast die van de ict-monitor leggen en zo nagaan of ze afwijken van gemiddelde of niet. Op basis hiervan kunnen ze natuurlijk besluiten al dan niet een andere koers te gaan varen op ICT-gebied. Maar ook kunnen scholen eens gaan kijken naar de resultaten van de monitoren in de andere onderwijssectoren. Zoals uit dit verhaal blijkt, zit er op sommige gebieden nogal wat verschil in ICT-gebruik tussen de verschillende sectoren. Dat kan een goede reden zijn om eens met andere scholen te overleggen waarom die verschillen er zijn. Spelen daarin factoren een rol die door de scholen niet te beïnvloeden zijn, of kunnen ze daarin wèl zelf veranderingen aanbrengen? Door de verschillende ICT-monitoren naast elkaar te leggen en gezamenlijk te zoeken naar de oorzaken van de verschillen, kunnen wellicht de verschillende sectoren leren van elkaar en zo het eigen ICT-gebruik verbeteren.
Literatuur
- Basisonderwijs : ICT-monitor 1998/1999 / A.C.A. ten Brummelhuis, M. Drent. Enschede : Universiteit Twente, Onderzoek Centrum Toegepaste Onderwijskunde, 2000.
- Voortgezet onderwijs: ICT-monitor 1998/1999 / A.C.A. ten Brummelhuis, M. Drent. Enschede : Universiteit Twente, Onderzoek Centrum Toegepaste Onderwijskunde, 2000
Vives, 2000, 13 (nov.)
